12 richtlijnen

Met onderstaande set basisregels voor het verbeteren van paardenwelzijn, zoals deze door de Sectorraad Paarden (SRP) zijn opgesteld, wordt invulling gegeven aan het verzoek van staatssecretaris H. Bleker van het Ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie.

De twaalf richtlijnen voor paardenhouders:

a. Voeding:

1. Adequate voeding afgestemd op het individuele dier. Dit wil zeggen, voldoende voeding van goede kwaliteit.
□ Vrije toegang tot voldoende schoon drinkwater.
□ Tenminste tweemaal daags voldoende ruwvoer aanbieden, tenzij er sprake is van beweiding in een wei met voldoende gras.

Toelichting:
De sector pleit voor een goed samengesteld rantsoen en een adequate voerfrequentie. Het is voor een goede functie van het maagdarmstelsel van belang dat paarden beschikking hebben over voldoende ruwvoer. Of dit tweemaal daags of – zoals in het Paardenbesluit van de Dierenbescherming staat – driemaal daags wordt toegediend is minder van belang. Vertalend naar de praktijk is het voeren van ruwvoer tweemaal daags in praktijk goed uitvoerbaar, mits in porties van voldoende omvang.

b. Huisvesting en beweging:

2. Boxoppervlakte
voor individuele huisvesting is minimaal (2x stokmaat) 2 voor pony’s kleiner dan 1,56m. De boxoppervlakte is minimaal 10m2 voor paarden >1,56m. Per 1 januari 2012 wordt deze standaard opgenomen bij toetsing van aanvragen voor nieuw- en verbouw van stallen. Er geldt een overgangsperiode van 15 jaar voor bestaande stallen om per 1 januari 2027 boxmaten aangepast te hebben. De oppervlakte van de box voor hoogdrachtige merries voor tijdens het veulenen en voor een merrie met een veulen is minimaal 12 m2 tenzij er minimaal 8 uur weidegang per dag wordt toegepast. Stands, waarin paarden permanent aangebonden worden gehouden, uitfaseren en per 1 januari 2017 verbieden. Paarden die voor korte tijd worden aangebonden met als doel hoefverzorging, het verrichten van medische handelingen of tijdens pauze bij (buiten) ritten en evenementen/wedstrijden worden in het voorgaande niet meegenomen.

3. Beweging. Paarden in individuele huisvesting krijgen dagelijks minimaal 4 uur beweging buiten de box, tenzij dit niet mogelijk is door ziekte of gebrek.

Toelichting: De insteek van de SRP is dat de dagbesteding van een paard (= combinatie van stalling en beweging) belangrijk is en niet zozeer de boxoppervlakte. Echter bij de keuze voor een in de praktijk hanteerbare maat, rekening houdend met bedrijven die stallen bouwen, is een vaste maat beter te hanteren dan 2x stokmaat in het kwadraat die wordt voorgesteld door de Dierenbescherming in het Paardenbesluit. De SRP is van mening dat met een oppervlakte van 10m2 een goede balans wordt gevonden tussen voldoende ruimte voor paarden en een reëel haalbare maat binnen bestaande gebouwen. Verruimen van de boxoppervlakte heeft namelijk ook een impact op het aantal dieren dat gehouden kan worden binnen de bestaande gebouwen. Dat aantal neemt verder af met de toename van de boxgrootte. Bovendien is het vergroten van een bouwblok bij gemeenten een moeilijk en langdurig proces, maar wel essentieel om bij een toenemende boxmaat een zelfde aantal paarden te kunnen houden. Verder is de SRP van mening dat de stallen op zodanige wijzen moeten worden aangepast dat er reuk, hoor, geur contact kan zijn tussen de paarden die naast elkaar gestald staan. Hiervoor gelden dezelfde overgangstermijnen als voor de boxmaat. Dit komt overeen met het door de Dierenbescherming gewenste mogelijkheid tot sociaal contact met soortgenoten. Paarden dienen dagelijks buiten de box te komen tenzij ziekte van het dier dit belemmert. Naast de training of ander gebruik dient het paard zoveel mogelijk beweging te krijgen afhankelijk van de mogelijkheden. Inclusief training of ander gebruik, minimaal 4 uur per dag. De Dierenbescherming spreekt in het paardenbesluit van vrije beweging. Dit is en blijft wel maatwerk, mede afhankelijk van de behoeften en mogelijkheden van het paard. De sector zet in op motivatie van de paardenhouder om voor zijn paard(en) een adequate aanpak te vinden.

4. Lichthoeveelheid in stallen is minimaal 80 lux gedurende 8 uur per dag.

5. Stallen en weides
zijn deugdelijk en veilig. Er zijn geen uitsteeksels of andere zaken waaraan een paard zich zou kunnen verwonden. De sector vindt dat het gebruik van prikkeldraad voor paardenweides verboden moet worden. De Stichting Veilige Paardensport neemt dit op in het keuringsprotocol van het veiligheidscertificaat per 1 januari 2013. Er is een schuilgelegenheid aanwezig voor paarden die dag en nacht buiten verblijven (schuilstal of bossage in de vorm van bomen of struiken).

c. Gezondheid:

6. Adequate preventie en behandeling tegen ziektes of aandoeningen zoals vaccineren en ontwormen.
Aantekening in het paspoort bij behandelingen die van belang zijn bij uitoefening in de sport.
□ Zieke en/of kreupele paarden moeten de mogelijkheid hebben lijfelijk te worden afgezonderd van andere paarden.
□ Het belasten van het jonge paard geschiedt met mate en aangepast aan de leeftijd. De samenwerkende partijen in de SRP stellen in hun reglementen leeftijdsgrenzen vast. □ Verenigingen van beroepsgroepen (onder andere hoefsmeden en gebitsverzorgers) stellen eigen voorwaarden (certificering) voor lidmaatschap en oefenen controle uit op kwaliteit van de zorg.
□ Het beslaan en bekappen van paarden gebeurt door een door de sector erkende hoefsmid.
□ Paarden worden alleen door een door de sector erkende gebitsverzorger gecontroleerd en zo nodig behandeld.
□ Het is verboden om tastharen volledig te verwijderen.
□ Het is niet toegestaan om de haren aan de binnenzijde van de oorschelp af te scheren, omdat deze de uitwendige gehoorgang beschermen. Het is echter geen probleem als overmatig uitstekende haren worden afgeknipt.

Toelichting: De in de SRP samenwerkende partijen, bepalen per organisatie en per discipline welke leeftijdsgrenzen gehanteerd moeten worden. Omdat er bijvoorbeeld verschil is tussen training onder zadel of aangespannen enerzijds en de draf- en rensport anderzijds.

7. Couperen. Deelname van paarden, geboren na 2004, met gecoupeerde staarten aan evenementen in Nederland is niet langer toegestaan, tenzij dit het gevolg is van een veterinair noodzakelijke ingreep.

8. Paardenmarkten mogen alleen gehouden worden als dit gebeurt conform het protocol (zie bijlage) dat opgesteld door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD), Groep Geneeskunde Paard (GGP), SRP en Dierenbescherming.

Toelichting:

De SRP is van mening dat paardenmarkten duidelijk een functie vervullen met betrekking tot de paardenhandel en daarom in stand moeten blijven. Er moet toezicht gehouden worden conform het protocol paardenmarkten.

d. Gedrag (sociaal contact):

9. Het houden van één paard is onwenselijk, tenzij dagelijks contact met één of meer soortgenoten mogelijk is.

Toelichting:
De sector wil het houden van één paard als onwenselijk gaan hanteren in haar advies aan de paardenhouders. Indien het houden van een paard helemaal zou worden verboden is de kans reëel dat paardenhouders vanwege een dergelijk verbod er een soortgenoot bij kopen maar eigenlijk niet de financiële middelen hebben om het dier te onderhouden, met alle gevolgen van dien voor het welzijn. Om deze situaties te voorkomen wil de sector niet overgaan op een verbod op het houden van één paard, maar zich vooral inzetten op advisering over de onwenselijkheid van het houden van één paard. Daarbij komt nadrukkelijk aan de orde dat ieder paard dagelijks mogelijkheden dient te hebben tot sociaal contact met een of meer soortgenoten. De SRP vindt dit beter dan het voorstel van de Dierenbescherming, die van mening is dat het houden van één paard verboden moet worden.

10. Spenen
gaat geleidelijk of spenen gebeurt in een groep van minimaal 2 veulens.
□ Spenen gebeurt vanaf een leeftijd van 4 maanden.
□ Opfokken gebeurt in een groep van minimaal 2 paarden.

Toelichting:
Vanaf een leeftijd van vier maanden is het maagdarmkanaal zover ontwikkeld dat een veulen gespeend kan worden. Sommige veulens zijn vroeg rijp en andere laat. De sector pleit voor een minimale speenleeftijd van 4 maanden en vindt het daarbij van belang dat als veulens van de moeder worden gescheiden, het veulen in het gezelschap wordt geplaatst van minimaal één ander veulen of soortgenoot. Dit is een iets andere invulling dan de Dierenbescherming voorstelt, die de minimale speenleeftijd wil vaststellen op zes maanden De SRP is van mening dat een minimale speenleeftijd van zes maanden nadelig kan zijn voor het welzijn van de moeder. Een alternatief voor abrupt spenen met minimaal één ander veulen is het geleidelijk spenen, dit komt overeen met het Paardenbesluit van de Dierenbescherming. De opfok van jonge paarden dient in groepsverband te geschieden.

11. Stereotype gedrag. Stereotype gedrag mag niet worden belemmerd, mits de gezondheid van het paard niet in het geding komt.

Toelichting:
Stereotype gedrag mag in de reguliere huisvesting niet belemmerd worden, dit komt overeen met het paardenbesluit van de Dierenbescherming. Er zijn echter situaties waarbij paarden in wedstrijdomstandigheden verkeren en voor een aantal dagen in tijdelijke huisvesting staan. Mocht er dan sprake zijn van stereotype gedrag dan kan dat de gezondheid of de prestaties schaden.

12. Zweepgebruik. Bovenmatig zweepgebruik is verboden. Zweepgebruik is toegestaan om het paard te corrigeren maar niet om te straffen.

Implementatie en verankering
De verdere uitwerking van deze richtlijnen vindt plaats in de periode tot 1 september aanstaande. De richtlijnen worden in een Gids Goede Praktijken ondergebracht en voorzien van een uitgebreide toelichting. Deze Gids Goede Praktijken wordt in een digitale vorm gepubliceerd om constante aanpassingen cq verbeteringen toe te kunnen passen.

Bron: SRP (www.sectorraadpaarden.nl)